12 JANUARI

12 JANUARI

Vandaag maken we zinnen met de kennis van de afgelopen dagen.

El hombre es mi padre.         De man is mijn vader.

La mujer es mi madre.          De vrouw is mijn moeder.

Mi padre está en la cocina.     Mijn vader is in de keuken.

Mi madre está en la cocina.    Mijn moeder is in de keuken.

Je ziet dat je met weinig woorden al heel veel kunt doen. Dat komt doordat je de werkwoorden ser en estar nu kent, en daar kun je heel veel zinnen mee maken.

Nog twee voorbeelden om het verschil tussen estar (zijn; zich bevinden) en ser (zijn; permanent -onveranderlijk) duidelijker te maken:

Yo estoy aquí.                   Ik ben hier.      (Van het werkwoord estar)         

Yo soy médico.                  Ik ben arts.      (Van het werkwoord ser)

Uitspraak: aquíakie

Er is nog een verschil tussen ser en estar. Kijk eens naar de volgende zinnen:

Eres simpático.                Je bent aardig.

Estás enfadado.              Je bent boos. 

De eerste zin beschrijft een vaste eigenschap, namelijk ‘aardig’.

De tweede zin beschrijft een veranderlijke toestand: ‘boos’.

->Voor vaste eigenschappen gebruik je ser, voor een veranderlijke toestand estar.

  • Date 12/01/2019
  • Tags Een beetje Spaans...